Beleid en motivatie

mei 27, 2012

Een paar jaar geleden werd duidelijk dat de markt voor huurwoningen was vastgelopen. De overheid was niet geslaagd in het waarmaken van haar belofte dat er voor iedereen een betaalbaar, redelijk huis zou zijn. Dus stopte men maar helemaal met het huurbeleid.

Tot zover was er niets aan de hand. De overheid kan ook niet alles. Maar het zou zoveel beter zijn geweest als men het falen ook had erkend. Dan behouden de burgers respect. In plaats daarvan heette de capitulatie het plan-Dekker. Jawel, een plan. Falen als beleid. Mislukking als keuze.

Ik moest eraan denken toen ik dit stuk las (inmiddels ook op Joop en op Sargasso). Er moet momenteel worden bezuinigd, schrijft de auteur, dus dat moet dan ook maar gebeuren. Als het nodig is, is het nodig. Maar zeg niet dat het beleid is. De sleutelpassage:

In de politiek is het gebruikelijk om bij bezuinigingen te gaan rationaliseren. Op werklozen wordt bezuinigd omdat ze frauderen en niet goed genoeg naar werk zoeken. Van ontwikkelingssamenwerking wordt misbruik gemaakt en het helpt toch niet. Chronisch zieken denken onvoldoende out of the box. Psychiatrisch patiënten moeten worden ‘geprikkeld’. Allemaal onzin, er is gewoon geld nodig.

Ik moest denken aan de wijze woorden van Hans van Mierlo. Die vertelde dat je als overheid soms een harde waarheid moest zeggen: “je buurthuis gaat dicht”. Mensen kunnen daar best mee leven. Maar het is een gotspe, vervolgde Van Mierlo, als je zegt “je buurthuis gaat dicht en dat is goed voor je”.


De nadelen van specialisme

mei 27, 2012

Oudheidkundige disciplines

Om een of andere reden moet ik de laatste tijd vaak denken aan mijn studietijd. Gisteren werd ik eraan herinnerd hoe vaak mijn docenten vragen ontweken. Als je een docent in vakgebied X erop wees dat in vakgebied Y een tegengestelde conclusie was bereikt, vermeed men de discussie.

Zo bleven de classici dus homerische krijgers vergelijken met soldaten uit postindustriële samenlevingen, hoewel antropologen die vergelijking problematiseerden; oudhistorici negeerden wat economen zeiden over de Fisher Equation; archeologen claimden kennis van antieke marktrechten en deden geen navraag bij de aardige jonge historicus die daarop aan het promoveren was. Men bleef problemen vanuit het eigen kader bekijken, zonder te zien wat andere kaders opleverden of wat de relatieve waarde van de diverse kaders was.

Daar is wetenschapstheoretisch natuurlijk wel iets voor te zeggen. Kennis is altijd kennis vanuit een bepaald perspectief, en het is niet altijd mogelijk die perspectieven te beoordelen. Maar “niet altijd” is niet hetzelfde als “niet”, en je hebt wel de morele plicht de waarde van de eigen kaders te onderzoeken. Men deed het niet.

Het heeft heel lang geduurd tot ik begreep dat de verklaring ligt in het mechanisme dat verliesaversie heet. Het komt erop neer dat als iemand een bepaalde hoeveelheid van iets verliest, het zwaarder weegt dan als hij een even grote hoeveelheid van iets anders wint. Daarom gaan mensen door op een bepaalde weg, zelfs als men van een koerswijziging kan profiteren. Voor mijn docenten woog het feit dat ze hun kader zouden kunnen moeten aanpassen zwaarder dan het inzicht dat ze konden winnen in de waarde van dat kader. Ze hadden het wel eens over interdisciplinariteit, maar dat is vaak een wassen neus.

Is dit ondertussen erg? Nee, want er valt ook door middel van specialisme een hoop te leren. Ja, want er is dus afgezien van een inhoudelijke beoordeling van de onderzoekskaders. Daarmee laat je degenen die de doelmatigheid van de financiering moeten vaststellen, geen andere keuze dan te kijken naar de studentenaantallen. Er zou een wereld zijn gewonnen als de letterenmedewerkers die – terecht! – boos zijn om het gebruik van dit oneigenlijke criterium, zouden inzien dat ze de toepassing van betere criteria zelf frustreren.


Als satire te schrijnend is

mei 26, 2012

Over religie kun je makkelijk een satire schrijven. De gebruiken van een godsdienst zijn voor mensen die dat geloof niet hebben, al snel belachelijk. Ook de politiek leent zich voor satire, aangezien er vaak een kloof is tussen de beoogde idealen en het cynisme dat nodig is om ze te bereiken. Een satire over de wetenschap is een stuk lastiger, al zijn Hermans’ Onder professoren en ’t Harts Ter navolging geslaagd. Ik denk dat het komt doordat beide auteurs zich beperken tot het falen van individuele geleerden. Ze drijven niet de spot met het zoeken naar kennis.

Toen de Britse schrijver Malcolm Bradbury in 1987 zijn novelle Mensonge publiceerde, greep hij hoger. Hij pakte niet slechts de letterdames en -heren aan, maar stak vooral de draak met de wetenschap zelf, met name met een stroming in de geesteswetenschappen die bekendstaat als structuralisme en deconstructivisme. Het boekje is niet komen gelden als zijn beste werk en dat is eigenlijk ook wel begrijpelijk. Recensenten hebben zelf veelal een letterenstudie gedaan en voor hen is de satire te schrijnend.

Zeer kort door de bocht samengevat: het structuralisme legt er de nadruk op dat woorden hun betekenis niet ontlenen aan een correspondentie met de werkelijkheid, maar aan contrast met andere woorden. Licht staat tegenover donker, om eens iets te noemen. Als de woorden echter niet naar vaste begrippen verwijzen, is de uitleg ervan (deels) subjectief. De lezer construeert de betekenissen. Deconstructivisten zoeken daarom in teksten naar zaken die de auteur er wellicht niet in heeft gelegd.

Daar is op zichzelf niets mis mee. Multatuli heeft Woutertje Pieterse zeker niet bedoeld om eenentwintigste-eeuwers kennis te laten maken met de vroege negentiende eeuw, maar als u er om die reden plezier aan beleeft – en ik kan het boek van harte aanraden – dan moet u er vooral van genieten. Ik weet zeker dat Multatuli er geen bezwaar tegen zou hebben gemaakt. Zijn plezier was het schrijven; nu de creatieve fase was afgerond, was Wouter van de lezer.

Met andere woorden, de auteur moet zich niet bemoeien met de uitleg van zijn teksten. “De auteur is dood”, zoals men zegt. En dat is waar Bradbury’s satire begint.

Thus, if the author was dead, it was still necesessary to have a Deconstructionist author who could explain this to us. Though the book was dead, someone or something had to explain this in the Deconstructionist book.

Hierin, zo legt Bradbury uit, ligt de betekenis van de structuralistisch-deconstructivistische denker Henri Mensonge. Dat u daarvan nog nooit hebt gehoord – wat betekent mensonge ook alweer? – is juist de kern van de zaak: geloofwaardigheidsbehoud dwong Mensonge, om te verhinderen dat het feit dat hij wel degelijk bestond zou worden gebruikt als argument tegen zijn theorie, zichzelf zoek te maken.

Is dat grappig? Ja. Het is zeker amusant en het is Bradbury wel toevertrouwd om schertsenderwijs de lezer vertrouwd te maken met de basisprincipes van de geparodieerde stroming. Het is bovendien leuk hoe het taalgebruik van de ouwehoerende klasse wordt geparodieerd. Mensonges onbekendheid is bijvoorbeeld

… an act of faith, a matter of design, a deed of determination, indeed one might say an ontological necessity, or to be more precise, an anti-ontological necessity.

Toen ik het boekje in 1992 voor het eerst las, legde ik het uiteindelijk wat geërgerd neer. De eigenlijke grap – een deconstructivist die zichzelf deconstrueert – was vrij snel gemaakt, en daarna bleef het een parodie die een bestudeerd slecht Engels gebruikt om de stilistische armoede van letterenpublicaties te parodiëren. Dat was even leuk, en natuurlijk lachte ik als er weer eens “oorlogswolken samenpakten” of “rivieren van inkt werden uitgegoten”. Maar ik vond negentig pagina’s wat te veel van het bestudeerd slechte.

Bij herlezing begon het me na dertig pagina’s al tegen te staan. Terwijl de geesteswetenschappen zo verschrikkelijk mooi kunnen zijn, herinnert Mensonge ons aan een heel andere praktijk. Dat wetenschappelijke objectiviteit moeilijk haalbaar is, is te vaak gebruikt als excuus om er ook niet naar te streven. Combineer dat met het feit dat de gemiddelde wetenschapper niet in staat is leesbaar te schrijven, en het plezier is weg. Van structuralisme en deconstructivisme vernemen we niet meer zo veel, maar er is een geesteloze productiedraaierij voor in de plaats gekomen.

Ik houd met elke vezel van geschiedenis en de andere geesteswetenschappen. Dat zit dieper in me dan ik zelf, en om een of andere reden blijft het aanwezig, hoewel ik dagelijks word geconfronteerd met de teleurstellend lage kwaliteit van het academisch bedrijf. Het lachen om Mensonge is me te moeilijk – het boekje is namelijk, net als Ter navolging, in feite geen parodie maar een schrijnend accurate beschrijving van de werkelijkheid.


Het verdriet van België

mei 26, 2012

Onlangs “onthulde” de onvolprezen satirische website De Speld dat Ajax was overgenomen door “de flamboyante Amsterdamse zakenman” Willem Holleeder.

Beursanalisten roemen de zorg waarmee Holleeder te werk is gegaan bij het verkrijgen van de aandelen. “Ajax-fans zijn vaak erg gehecht aan hun aandelen, maar de werknemers van de heer Holleeder zijn bij alle aandeelhouders thuis langsgegaan. Toen ze uitlegden wat zijn toekomstplannen voor de club waren, wilde een meerderheid zelfs vrijwillig afstand doen van hun aandelen.”

De grap is zo leuk omdat iedereen weet dat een vriendelijk bezoek van medewerkers van een bekende crimineel flamboyante Amsterdamse zakenman meestal resulteert in offers you can’t refuse. Helaas overtreft de satire de werkelijkheid, althans in België. De Standaard kopt vandaag “Minnelijke schikking mogelijk voor zware misdrijven“.

Openbaar aanklagers mogen voortaan voor misdrijven waarop tot twintig jaar cel staat, deals sluiten met de verdachte criminelen. … De schikking kan zelfs lager uitvallen dan de uitgesproken straf en de behandelende rechters mogen niet oordelen of de schikking opportuun of proportioneel is. Verdachten die kunnen betalen, behouden ook een blanco strafblad, terwijl andere verdachten in dezelfde zaak nog altijd vervolgd kunnen worden.

Ik krijg hier een heel naar gevoel bij. Ik ben blij dat ik geen openbaar aanklager ben in België, want ik zou vanaf nu in constante angst leven dat ik ooit wakker wordt naast een afgehakt paardenhoofd.


Vervalst persoonsbewijs

mei 25, 2012

Een zeer goede vriendin is lerares geschiedenis. Vaak moet ze vertellen over de Tweede Wereldoorlog, een onderwerp waarover haar HAVO- en VWO-leerlingen steeds weer het naadje van de kous willen weten. Een tijd geleden kon ik haar een plezier doen met een schrift waarin iemand, vermoedelijk in de zomer van 1945, allerlei herinneringen had ingeplakt: een bonnenboekje, propagandaflyers, een jodenster. Oorlogskranten zijn als herdruk opnieuw leverbaar, zodat mijn vriendin inmiddels een redelijke collectie authentiek en minder authentiek lesmateriaal bezit.

Wat nog ontbrak, was een persoonsbewijs, en toen ik ontdekte dat Peter de Haas van GeschiedenisLeeft voor didactische doeleinden (denk aan re-enactment) mooie replica’s maakt, zag ik een buitenkans de collectie te completeren. Inmiddels heb ik het ongelooflijk echt lijkende document ontvangen, keurig met een eveneens heel authentiek ogend inlegvel met de instructies die er in die jaren bij hoorden. Ik weet dat de maker zelfs de juiste inkt heeft gebruikt. Vakwerk.

Ik vind er iets ontroerends aan zitten. Tijdens de oorlog richtte Gerrit van der Veen de Persoonsbewijzencentrale op, die erin slaagde hele knappe vervalsingen te maken. Die moeten honderden mensen het leven hebben gered. Het werk schijnt hondsmoeilijk te zijn geweest, en daarom heeft het iets van een hommage aan het Verzet dat Peter de Haas zich het – met recht nobel te noemen – ambacht weer eigen heeft gemaakt.


Een middeleeuws Venndiagram

mei 25, 2012

Oudheidkundige disciplines

Het tekenen van Venndiagrammen is brugklasstof. Simpel samengevat: je tekent kringen die staan voor verzamelingen. Zo kun je makkelijk visualiseren waar de overlap zit. Het voorbeeld rechts toont historici, classici en archeologen; je kunt zien dat een oudhistoricus zowel een classicus als een historicus is, dat een klassiek archeoloog zich beweegt op snijvlak van archeologie en klassieke talen, dat een oudheidkundige alle drie wil doen en dat er betrekkelijk weinig samenwerking is tussen historici en archeologen (al is de archeologie van de Tweede Wereldoorlog groeiende). Je kunt zulke schema’s zo complex maken als je zelf wil. Als je de prehistorici toevoegt, zou je een overlap met de archeologie hebben en je zou de overlap met de klassiek archeologen aanduiden als “mediterraan archeologen”. Enzovoort.

Deze manier om verzamelingen voor te stellen is rond 1880 bedacht door de Britse wiskundige John Venn, die echter nooit heeft beweerd dat hij kwam met iets werkelijk nieuws. Het is dan ook een heel natuurlijke manier om deelverzamelingen te conceptualiseren. Ik stel me voor dat boeren zo wel eens schetsje maakten van de twintig schapen van de ene boer, de dertig van de andere, en de vijf lammetjes waarop ze allebei aanspraak konden maken.

Ik kwam gisteren het onderstaande plaatje tegen. Het komt uit het werk van Joachim van Fiore, een Zuid-Italiaanse mysticus uit de dertiende eeuw. Hij had visioenen gehad en zei dat er drie tijdperken waren in de geschiedenis: het tijdperk van God de Vader, van God de Zoon en van de Heilige Geest. Die overlapten elkaar. Bij de Schepping was er uitsluitend God de Vader, later kreeg Hij een Zoon, vervolgens kwam de Geest erbij; daarmee was het Oude Verbond verstreken en kon de Vader met pensioen; vervolgens zou ook de rol van de door de Zoon gestichte Kerk uitgespeeld zijn en verdween de Zoon uit beeld; en in de Eindtijd bestond een christendom van uitsluitend de Geest. Deze visie werd vaak van toepassing verklaard op de franciscaner monniken, die in armoede wilden leven en aan de Geest voldoende hadden. Uiteraard bepaalde de paus dat een theorie over een verdwijnende Kerk ketters was. Daarom is dit ook vergeten.

En dat is jammer. Want het plaatje toont echt een Venndiagram (of iets dat erop lijkt: zie de commentaren hieronder). Je vraagt je af hoe de wiskunde, of althans de verzamelingenleer, zich zou hebben ontwikkeld als dit plaatje meer bekendheid zou hebben gehad.


Was will das Weib?

mei 24, 2012

Geïnteresseerd als ik ben in het vrouwelijk geslacht (uit zuiver wetenschappelijke motieven, vanzelfsprekend) schafte ik mij deze week de Viva aan, dat de resultaten beloofde van het Grote Relatieonderzoek. Veel wijzer werd ik er niet van. Ik begrijp althans niet waarom de redactie het samenvat als “stiekem blijken we hartstikke conservatief”.

De geënquêteerde Viva-vrouwen zijn gemiddeld negenentwintig. Als ik de gemiddeld-negenentwintigjaren in mijn kennissenkring in één zin zou moeten typeren, dan denk ik dat ze over het algemeen nogal nuchter zijn. Sommigen zijn hoog opgeleid, anderen niet; de een neigt naar romantiek en de ander is stoer; de ene is avontuurlijk en de ander zit liever thuis; de waarde die ze hechten aan hun baan varieert; er zitten wat meer lesbiennes tussen dan het Viva-gemiddelde, maar dat is niet ongebruikelijk in Amsterdam; en behalve leuke vrouwen zijn er ook een paar zeurpieten. Ze zijn dus nogal verschillend en ook de mate van nuchterheid varieert, maar ze is wel degelijk een vrij opvallende trek, die ook buitenlandse vrienden steeds weer opvalt.

Zijn de mij bekende vrouwen “hartstikke conservatief”? Zelf zou ik het niet zo formuleren. Laat ik zeggen dat ze te nuchter zijn om in hun passie iets onomkeerbaars te doen. Natuurlijk dromen ze van een gepassioneerde liefde, natuurlijk hebben ze seksuele fantasieën en natuurlijk zijn er vrouwen die het niet laten bij fantasie. Maar iedereen voelt op z’n klompen aan dat die fantasieën in de meeste gevallen precies dat zijn: fantasieën. Zeker, die Mediterrane jongen is onweerstaanbaar en ik heb twee dozijn archeologische vriendinnen die wel eens tegen een leuke Italiaan of Griek zijn aangelopen. Met één uitzondering hebben ze daarna gekozen voor een oer-Hollandse man.

Van degenen die werkelijk al hun schepen achter zich verbrandden om de man van hun dromen naar het buitenland te volgen, was de een na enkele maanden alweer terug uit Spanje. De andere twee zijn geen Nederlandsen, maar zijn hier komen wonen. Voor echte, allesverzengende passie hebben we buitenlanders nodig.

Zo dacht ik althans vrouwen van gemiddeld negenentwintig te kennen. Heus wel open voor romantiek, maar niet tot de allerhoogste prijs. De resultaten van het Grote Relatieonderzoek verrasten me daarom niet. Dat 82% van hen het huwelijk niet hopeloos ouderwets vindt, is een redelijk praktische keuze, waarin pragmatisme en romantiek worden gecombineerd. Dat hetzelfde percentage gelooft dat je je hele leven bij elkaar kunt blijven, duidt op dezelfde inslag. Dat 96% een monogame relatie heeft, is alleen maar logisch – je vermijd er een hoop gedoe mee. Dat 55% de relatie belangrijker vindt dan de carrière, is een simpele afweging: de kans dat je een goede partner vindt is kleiner dan dat je passend werk vindt. Dat 39% zó graag kinderen wil, dat ze er desnoods zonder vaste partner aan begint, was het enige wat ik niet had verwacht, al had ik beter kunnen weten. Ik ken namelijk een alleenstaande moeder die me elke keer weer verrast met haar praktische kijk op de dingen.

Het is natuurlijk denkbaar dat ik het Viva-onderzoek niet op waarde kan schatten. En het kan natuurlijk zijn dat ik alleen maar heel bijzondere vrouwen ken. En ja, ik realiseer me dat het methodisch niet heel zuiver van me is dat ik onderzoeksconclusies beoordeel aan de hand van de eigen ervaringen (kijk nog even naar de tabel in deze post). Maar ik zie werkelijk niets dat de conclusie “stiekem blijken we hartstikke conservatief” rechtvaardigt: Nederlandse vrouwen zijn praktisch en zoeken in relaties vooral stabiliteit. Niet dat ze onromantisch zijn, maar ze zijn ook Hollands nuchter.

Er is ook niets stiekems aan. Nog nooit heb ik een vrouw ontmoet die, als ze moesten toegeven wat preuts te ogen, zich verontschuldigde met “maar eigenlijk werk ik elk weekend zes mannen af, meestal twee tegelijk”. Wel ken ik heel veel vrouwen die het omgekeerde doen: als ze promiscue mochten lijken, aangeven dat ze dat niet zijn. Nederlandse vrouwen doen helemaal niet stiekem over hun “conservatisme”.

Ik denk dat uit de enquête vooral iets anders blijkt: hoe geïsoleerd de Viva-redactie staat tegenover de lezeressen. De firma Sanoma, de uitgever van Viva, heeft namelijk niet als eerste doel jonge vrouwen te informeren en amuseren. Dat is alleen maar een middel tot het eigenlijke doel: heel veel Viva’s verkopen. En dat doe je niet door te schrijven over stabiele relaties, want het gemiddelde is geen nieuws. Je verkoopt een tijdschrift wél als je schrijft over extremen: over exuberante passie, over heftige seks en over mensen die de burgerlijke moraal doorbreken.

Als de redactie een onderzoek samenvat als “het blijkt”, dan impliceert ze dat ze zelf verrast was door de conclusie, die volgens mij behoorlijk voor de hand lag. Is ze gaan geloven in de eigen berichtgeving over nieuwe sekstips en relatietrends? Heeft ze in de gaten dat de ontdekkingen van het Grote Relatieonderzoek alleen ontdekkingen zijn voor wie nooit een Nederlandse vrouw ontmoet?

Ik verander even van onderwerp. Op mijn studentenflat – ik heb het over de jaren tachtig – hadden we een abonnement op de Viva. De jongens maakten altijd grappen over de problemenrubriek, maar gaandeweg kregen we er een enorm respect voor, en begrepen we dat de redactie destijds werkelijk een vriendin was voor de lezeressen. De enkele keer dat ik nu op het Viva-forum kom, krijg ik opnieuw het idee dat het tijdschrift voorziet in een serieuze behoefte. Juist omdat ik de Viva vrij hoog heb, stelt dit onderzoek me zo teleur.

Met de gegevens die men had, had men beter kunnen doen. Is er een verband tussen opleidingsniveau en de wijze waarop relaties worden ingevuld? Geen antwoord. Denkt de Viva-lezeres anders dan andere vrouwen? We lezen er niet over. Hoeveel moslima’s deden mee en gaven die andere antwoorden? Geen idee. Verschuiven onze normen en waarden? Viva heeft eerder soortgelijke enquêtes gedaan en is in de positie het antwoord te geven. Maar men komt niet veel verder dan de platitude, in de mond van een om commentaar gevraagde deskundige, dat na een vrijgevochten generatie meestal een wat tuttige generatie volgt. Tja.

Weliswaar vermoed ik dat veel Viva-lezeressen zullen antwoorden niet echt te zijn geïnteresseerd in de details van een onderzoek, maar ik vermoed tevens dat ze wel degelijk vragen hebben. Ze moeten zien dat er veranderingen zijn: ze kennen hun moeders en ze denken over de toekomst van hun kinderen. Het is jammer dat de Viva, nu ze haar lezeressen werkelijk iets kan vertellen, zich niet de goede vriendin betoont die ze kan zijn. Of snap ik nou écht niks van vrouwen?


Shalwar kameez

mei 23, 2012

Bandenpech in Harappa

Met een “shalwar kameez” bedoelen Pakistanen hun dagelijkse kleding. De kameez is een lang shirt met zakken, gemaakt van linnen of katoen, dat valt tot op de knie. Daaronder draag je de salwar: een zoomloze, pyama-achtige broek, die valt tot op de enkels.

Op de foto rechts draag ik de shalwar kameez die ik in 2004 aanschafte in het Mariott-hotel in Islamabad. Het is grappig hoe gemakkelijk het ging: mijn gastheer nam me mee, zijn jonge echtgenote baande kordaat een weg naar de winkels, de eigenaar keek naar me, nam mijn maat op en legde de twee kostuums op de counter. Ik vroeg of ik het niet moest passen. Dat was niet nodig, zei hij met de voor Pakistanen zo typerende lach, want het paste altijd, en trouwens, je moest terroristen geen kans geven bommen achter te laten. Ook dat zei hij met een lach. Hoe wrang dát was, leest u hier.

Het bleek ideale kleding, want Pakistan bleek nog heter dan we hadden verwacht. Ik zal nooit de receptionist van het hotel in Multan vergeten die ons geluk wenste omdat het niet meer zo heet was, “nog maar 48 graden”.

Nee, mijn Pakistaanse kleding heeft zijn geld wel opgebracht. En doet dat nog altijd. Op een dag als deze, waarop het zo drukkend heet en benauwd is, draag ik mijn shalwar kameez nog wel eens binnenshuis.


“We choose to go to the Moon”

mei 23, 2012

Ik ken weinig indrukwekkender toespraken dan president Kennedy’s uitleg waarom hij had besloten dat de Amerikanen naar de maan wilden (tekst). Hij had het doel al in 1961 gedefinieerd: “this nation should commit itself to achieving the goal, before this decade is out, of landing a man on the Moon and returning him safely to the Earth”. Het was een heel dappere beslissing, want op de dag waarop hij het aankondigde moest de eerste Amerikaanse astronaut nog in een baan om de aarde worden gebracht. Men wist nog heel weinig van de ruimte, behalve dat de kosten van Kennedy’s plan – om een iets té gelikte metafoor te gebruiken – astronomisch zouden zijn.

Op 12 september 1962, toen hij een ereprofessoraat aannam in Houston, rechtvaardige Kennedy zijn beslissing. En hoe! Blakend van zelfvertrouwen legt hij precies uit waar het in de wetenschap – en in elke werkelijk respectabele menselijke activiteit – om draait:

We choose to go to the moon in this decade and do the other things, not because they are easy, but because they are hard, because that goal will serve to organize and measure the best of our energies and skills, because that challenge is one that we are willing to accept, one we are unwilling to postpone, and one which we intend to win, and the others, too.

Je mag hierover cynisch zijn. Natuurlijk wilde Kennedy ook een symbolische overwinning op de Sovjet-Unie behalen. Maar tegelijkertijd: er zit een serieus element van enthousiasme in, dat des te overtuigender is omdat Kennedy ook ingaat op het eenvoudige gegeven dat hoe meer we ontdekken, hoe beter we ons gebrek aan kennis realiseren. Dit is een toespraak van iemand die begrijpt hoe wetenschap werkt.

De kritiek dat het te duur zou zijn werkt hij weg door te zeggen dat er ergere vormen van verspilling zijn – in feite is dit een drogreden overigens:

That budget now stands at $5,400 million a year – a staggering sum, though somewhat less than we pay for cigarettes and cigars every year.

Maar vooral: Kennedy spreekt met flair en weet de wetenschap daarmee weg te halen uit de sfeer van saaie nerderigheid. Aan het einde legt hij nog een keer uit wat een geweldige ambitie Amerika heeft, en hij improviseert een kwinkslag over de hitte:

We shall send to the moon, 240,000 miles away from the control station in Houston, a giant rocket more than 300 feet tall, the length of this football field, made of new metal alloys, some of which have not yet been invented, capable of standing heat and stresses several times more than have ever been experienced, fitted together with a precision better than the finest watch, carrying all the equipment needed for propulsion, guidance, control, communications, food and survival, on an untried mission, to an unknown celestial body, and then return it safely to earth, re-entering the atmosphere at speeds of over 25,000 miles per hour, causing heat about half that of the temperature of the sun – almost as hot as it is here today – and do all this, and do it right, and do it first, before this decade is out. We must be bold.

En Amerika ging naar de maan, vóór het decennium voorbij was. Vergelijk deze ambitie en de inspiratie die er na een halve eeuw nog altijd van uitgaat, eens met de opmerkingen die onze eigen minister-president maakte over onderwijs en wetenschap. Het was zijn eigen persoonlijke prioriteit, zei Rutte, bijna een jaar geleden. We hebben er niets meer van gehoord.


Free Access

mei 22, 2012

Wetenschappers die hun materiaal op betaalsites laten staan, lijken de Nederlandse Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te overtreden. Artikel 1.3.1 schrijft volgens mij toch echt voor dat de universiteiten hun kennis moeten overdragen ten behoeve van de maatschappij. ‘Overdragen’ dus, niet ‘verkopen’, en ook niet ‘overdragen aan een commerciële uitgeverij die deze verkoopt’.

De wet lijkt me duidelijk en de politiek is niet aansprakelijk voor het achter-gesloten-deuren-houden van wetenschappelijke informatie. Het was ook de politiek, in de zogenaamde Verklaring van Berlijn, die in 2007 de grondslag legde voor het zoeken naar Open Access, en er zijn sindsdien enkele Europese initiatieven geweest.

Die hebben niets opgeleverd, want de uitgevers hebben geen belang bij open access en de universiteiten beschouwen het niet als hun hoogste prioriteit. Daarom betaalt u nog steeds om onderzoek te laten doen en moet u nog een tweede keer betalen als u geïnteresseerd mocht zijn in de resultaten. De universiteiten zijn niet geïnteresseerd in u.

Maar goed, het is nooit te laat om tegen beter weten in te hopen. Hier is weer eens een petitie, dit keer Amerikaans, maar je lijkt ook als Nederlander of Vlaming te kunnen tekenen.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 274 other followers